Op 24 mei 1997, vijftig jaar na de uitvoering van het Marshall-plan, opende de Amerikaanse Opperbevelhebber van de Geallieerden in Europa, generaal G.A. Joulwan het Marshall-museum in Zwijndrecht. Het museum, dat is vernoemd naar George C. Marshall, bevat een collectie van meer dan 300 militaire voertuigen. De bezoeker maakt kennis met een grote verscheidenheid aan Amerikaanse voertuigen die in de Tweede Wereldoorlog zijn gebruikt, en ziet ze in een historisch perspectief in die tijd geplaatst.

De oprichter van het museum, Jaap de Groot, startte in 1948 een klein staalconstructiebedrijf onder de naam De Groot Construction. Omdat Nederland en de andere landen in Europa zich nog aan het herstellen waren van de oorlog, kostte het hem veel moeite om de benodigde machines en gereedschappen aan te schaffen. In 1949 kocht hij een Ward LaFrance-kraanwagen die door het Amerikaanse leger in de Tweede Wereldoorlog was gebruikt. Hij gebruikte het voertuig voor de assemblage van staalconstructies, iets wat tot dan toe alleen nog maar was gedaan met assemblagemasten. De onverwoestbare kraanwagen leverde hem veel werk op. Na de Ward LaFrance kocht hij grotere kranen, zoals de P&H, en gebruikte hij American Hoist-kranen, die de grootste hijscapaciteit ter wereld hebben.

Na 40 jaar in het bedrijf werkzaam te zijn geweest, ging hij in 1988 met pensioen. Hij verliet het bedrijf met een grote wens; opnieuw een originele kraanwagen aanschaffen.

Hij kocht er één, en nog één, en had er uiteindelijk zoveel dat hij dit transportmuseum oprichtte. Het museum toont hoe de geallieerden hun voorraden en wapens transporteerden en hoe zij hun kranen en onderhoudswagens in het veld gebruikten. Elk voertuig waar het museum de beschikking over kreeg werd compleet uit elkaar genomen, elk onderdeel werd gerepareerd of vervangen, en vervolgens weer in elkaar gezet volgens de originele bouwspecificaties.

Tijdens de restauratie raakten de heer De Groot en zijn team steeds meer onder de indruk van de standaardisatie van de onderdelen en de organisatie van de productie van de enorme hoeveelheid voertuigen. Uit onderzoek bleek dat de organisatie van deze operatie in handen was van generaal en staatsman George C. Marshall. De heer De Groot en zijn team eren deze man door het museum naar hem te vernoemen.

(Geboren 31 december 1880 - gestorven 16 oktober 1959) -- George C. Marshall, Amerika's meest vooraanstaande militair tijdens de Tweede Wereldoorlog, was van 1939 tot 1945 stafchef, en gaf leiding aan en bouwde het grootste leger in de geschiedenis. Tijdens zijn diplomatieke loopbaan was hij van 1947 tot 1949 Minister van Buitenlandse Zaken. In die hoedanigheid gaf hij vorm aan het Marshall-plan, een ongekend programma dat voorzag in economische en militaire hulp aan landen.

De vader van Marshall was eigenaar van een winstgevende kolenhandel in Pennsylvania. De jonge Marshall besloot echter niet in zijn vaders voetsporen te treden, maar soldaat te worden. Hij schreef zich in aan het Virginia Military Institute waar hij in 1901 afstudeerde als hoogstgeplaatste eerste kapitein van het Kadettenkorps. Nadat hij had gediend in de Filippijnen en de Verenigde Staten, studeerde hij in 1907 cum laude af aan de Infantry-Cavalry School in Fort Leavenworth en in 1908 cum laude aan het Army Staff College. De jonge officier onderscheidde zich op tal van posten gedurende de volgende negen jaar, en verdiende zo een benoeming tot de Algemene Staf in de Eerste Wereldoorlog. In die tijd voer hij ook naar Frankrijk met de Eerste Divisie. Hij werd geroemd voor zijn stafwerk tijdens de veldslagen van Cantigny, Aisne-Marne, St. Mihiel, en Meuse-Argonne, en verdiende hiermee promotie. Van 1919 tot 1924 diende hij als adjudant van generaal Pershing. Van 1924 tot 1927 was hij actief in China. Vervolgens werkte hij in 1927 als instructeur aan het Army War College, van 1927 tot 1932 als assistent-commandant van de Infantry School, en in 1933 als commandant van het Achtste Regiment Infanterie. Van 1933 tot 1936 werkte hij als hoogste instructeur aan het Illinois National Guard, en van 1936 tot 1938 werkte hij als commandant, met de rang van brigadier-generaal, van de Vijfde Infanteriebrigade. In juli 1938 accepteerde Marshall een post bij de Generale Staf in Washington, D.C., en in september 1939 werd hij door president Roosevelt tot stafchef, met de rang van generaal, benoemd. Hij werd generaal in het leger in 1944, het jaar waarin het Congres de rang van vijfsterrengeneraal creëerde.

Toen hij stafchef was, drong hij al aan op militaire slagkracht, nog voor de aanval op Pearl Harbor in 1941. Later was hij verantwoordelijk voor de opbouw en bevoorrading, en deels het inzetten, van acht miljoen soldaten. Vanaf 1941 was hij lid van het beleidscomité dat toezicht hield op het atoomonderzoek waaraan Amerikaanse en Britse wetenschappers werkten. Na de oorlog nam hij in november 1945 ontslag.

Marshall wilde zich echter niet terugtrekken uit de publieke leven; zijn militaire carrière was beëindigd, waarna hij een diplomatieke carrière begon. Als stafchef was hij al betrokken bij een aantal diplomatieke gebeurtenissen, waaronder de conferentie over het Atlantische Charter (1941-1942), en de conferenties in Casablanca (1943), Quebec (1943), Cairo-Teheran (1943), Yalta (1945), Potsdam (1945), en nog vele andere minder belangrijke conferenties. Van eind 1945 tot 1946 vertegenwoordigde hij president Truman tijdens een speciale missie in China, dat verscheurd werd door een burgeroorlog. In januari 1947 werd hij benoemd tot Minister van Buitenlandse Zaken, een positie die hij twee jaar bekleedde. In de lente van 1947 presenteerde hij, tijdens een toespraak aan de Harvard-universiteit, het plan voor economische hulp, dat nu bekend is als het Marshall-plan.

Tijdens de Koreaanse Oorlog was generaal Marshall gedurende een jaar Minister van Defensie in de Amerikaanse regering. Hij nam ontslag in september 1951, drie maanden voor zijn eenenzeventigste verjaardag. Hij trok zich terug uit de politiek, en nam daarna nog deel aan ceremoniën waarbij een beroemd man als hij verwacht werd aanwezig te zijn.

 
 

(c) Stichting Historisch Materieel 2005